Nederland is koploper in Europa als het aankomt op slimme mobiliteit. Belangrijke factoren in het bereiken van die positie zijn de vier technische universiteiten en de innovatieve bedrijven die ons land rijk is. Maar minstens zo belangrijk is de opstelling van de rijksoverheid. De afgelopen tien jaar heeft de overheid grote bereidheid getoond om slimme mobiliteit samen met de industrie op een hoger niveau te brengen.
Zo gingen in 2019 in zeven regio’s pilots van start met mobility as a service (MaaS). Daarvoor werden vanuit de rijksoverheid intensieve samenwerkingen geïnitieerd tussen het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), de zeven regionale overheden, geselecteerde MaaS-aanbieders en vervoersdiensten. De overheid committeerde zich aan het zo veel mogelijk faciliteren van de marktpartijen, bijvoorbeeld met standaardisatie van data-uitwisseling en regelgeving en het wegnemen van drempels voor ov-partijen en andere vervoerders om mee te doen.
De coronapandemie heeft deze projecten helaas doorkruist. De val in het aantal reisbewegingen die tijdens de lockdowns te zien was, zorgde er bovendien voor dat de urgentie van het werken aan slimme mobiliteitsoplossingen tijdelijk minder zichtbaar was. Maar de noodzaak om slimmer te reizen is groter dan ooit: Nederland heeft zich gecommitteerd aan ambitieuze klimaatdoelstellingen, terwijl tijdens de pandemie meer mensen voor de auto kozen en de capaciteit van het wegennet niet noemenswaardig is toegenomen.