Begin november publiceerde de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) op de website dat gemeenten kampen met oplopende tekorten in de jeugdzorg: in 2023 bedraagt het tekort EUR 628 mln. en voor 2024 wordt dit naar verwachting EUR 828 mln. De druk loopt op, recent zijn de gemeenten uit het Integraal Zorgakkoord (IZA) gestapt a.g.v. voorgenomen bezuinigingen van het kabinet-Schoof op preventie en gebrek aan plannen voor het ‘Ravijnjaar 2026’. Dit heeft mogelijk ook gevolgen voor het kunnen realiseren van beoogde resultaten en voorgenomen acties vanuit de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028.
Zo wordt met het wetsvoorstel ‘Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg’ vanuit de hervormingsagenda gestreefd naar een verbetering van de organisatie en inkoop van specialistische jeugdzorg. Dit wetsvoorstel is inmiddels ingediend bij de Tweede Kamer. Gemeenten worden daarmee verplicht om regionaal samen te werken (voor zover dit al niet wordt gedaan) bij de inkoop van specialistische jeugdzorg op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Daarnaast wordt toegewerkt naar een standaardisering van tarieven en stimulering van tariefdifferentiatie door middel van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) ‘Reële prijzen Jeugdwet’. Hiermee wordt beoogd dat gemeenten en aanbieders hun prijzen opbouwen met de in de AMvB bepaalde kostprijselementen. Op 1 juli 2024 is deze AMvB Reële prijzen Jeugdwet van kracht geworden.
Gegeven deze ontwikkelingen is het belangrijk voor gemeenten en jeugdhulpaanbieders om rekening te houden met het volgende:
- Transparant te maken hoe de opbouw is van de kostprijs en voldoende toe te lichten hoe op basis van de gehanteerde kostprijselementen het tarief is bepaald. Daarbij is de AMvB geen landelijke norm of tariefstelling maar geeft het weer hoe het proces van onderbouwing van een reële prijs tot stand komt. Het is aan de gemeenten zelf om de uitgangspunten te bepalen wat reëel is in de kostprijsberekening.
- Rechtspraak geeft daarbij aan dat gemeenten de vastgestelde tarieven goed moet kunnen onderbouwen en m.n. de bepaling waarom deze reëel en kostendekkend zijn. Daarbij heeft de gemeente een belangrijke onderzoeks- en informatieverplichting. Onvoldoende onderbouwing kan leiden dat tarieven moeten worden herzien of opnieuw worden bepaald of aanvullend onderzoek en onderbouwing benodigd is (o.a. rechtbank Midden-Nederland, uitspraak Triade-Vitree en gemeente Almere en rechtbank Overijssel, uitspraak Doppa/Helios en de regio SamenTwente).
- De financiële impact van de tekorten op de Jeugdzorg geeft onzekerheid voor gemeenten. Wat nog eens verder vergroot kan worden in het ‘ravijnjaar 2026’. Dit vraagt tijdige actie en voldoende aandacht en grip in de begroting en het onderliggende proces, robuuste scenario analyse en effectieve beheersmaatregelen met een zo kort mogelijke tijdsduur tussen signalering en opvolging.
Zorgaanbieders binnen de jeugdhulp en Wmo-zorg worstelen om financieel het hoofd boven water te houden. Ook gemeenten kampen met de beheersing van de alsmaar stijgende kosten voor jeugdhulp en Wmo-zorg. De kosten van zorg blijven stijgen, terwijl de zorgvraag niet afneemt. Voor veel zorgaanbieders ontbreekt het inzicht in kosten en rendement voor een contract met een gemeente of regio. Veel gemeenten zoeken in gezamenlijkheid met zorgaanbieders vanuit partnerschap naar oplossingen in de wijze van bekostigen. Hiermee wordt getracht om zowel de kosten van zorg als de zorgvraag te beïnvloeden. Zo is vanuit landelijk beeld zichtbaar dat bijvoorbeeld een taakgerichte variant meer belangstelling krijgt. Dit vraagt echter ook een bepaalde mate van volwassenheid van zowel de regio als aanbieders om dit daadwerkelijk succesvol te kunnen laten zijn(1). Daarnaast worden kaders gezocht om (meer) grip te krijgen op de kosten bijvoorbeeld door gezamenlijke afspraken vast te leggen in de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 of door middel van de AMvB reële tarieven. Maar het blijft voor veel instellingen en gemeenten een ingewikkelde puzzel.