Hoewel dit geen nieuw gegeven is, is het van uitermate groot belang: de berekening van de belastbare grondslag voor de roerende voorheffing verschilt van de grondslag voor de personenbelasting. In België gevestigde financiële tussenpersonen zullen de roerende voorheffing inhouden zonder rekening te houden met de jaarlijkse vrijstellingen (zoals de 10.000 EUR-vrijstelling), aftrekbare minderwaarden en, voor activa die vóór 2026 werden aangehouden, hogere historische aanschaffingswaarden:
- Voor financiële instrumenten die uiterlijk op 31 december 2025 werden verworven, zal de tussenpersoon in beginsel steeds de referentiewaarde op 31 december 2025 in acht nemen; en
- Voor financiële instrumenten die vanaf 1 januari 2026 werden verworven, zal de tussenpersoon in beginsel rekening houden met de werkelijke aanschaffingswaarde (indien die informatie beschikbaar is of naar behoren wordt aangetoond).
Wanneer de aanschaffingswaarde niet kan worden aangetoond, zal de belasting worden ingehouden op basis van de volledige opbrengst, in plaats van werkelijke meerwaarde. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer activa tijdens hun looptijd naar een andere financiële instelling werden overgedragen. Intussen heeft de financiële sector evenwel een gedragscode afgesproken om ervoor te zorgen dat nodige informatie consequent wordt gedeeld en dergelijke situaties zoveel mogelijk worden vermeden (via een gestandaardiseerd model).
Voor de roerende voorheffing moet de first-in-first-outmethode (FIFO) worden toegepast. Wanneer bedragen in vreemde valuta zijn uitgedrukt, moeten zij zowel bij de verwerving als bij de overdracht onder bezwarende titel worden omgerekend naar EUR tegen de respectievelijke wisselkoersen.
Eventuele facultatieve of verplichte correcties zullen bijgevolg via de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting moeten gebeuren.
Zo kan voor jongere belastingplichtigen, die mogelijks geen ander belastbaar inkomen hebben, ook de globalisatie van de inkomsten via de aangifte voordelig zijn. De belastingvrije som kan de belastingschuld volledig tot nul herleiden, ook met betrekking tot meerwaarden waarop bijvoorbeeld roerende voorheffing werd ingehouden.
Voor rechtspersonen ligt de situatie echter anders, aangezien zij zelf de roerende voorheffing verschuldigd zijn. De vrijstellingen kunnen daarom reeds op het niveau van de roerende voorheffing in aanmerking worden genomen.
Daarentegen kan de roerende voorheffing van 10% ook lager zijn dan de uiteindelijke belastingschuld. Dit zou het geval zijn wanneer de meerwaarden kwalificeren als interne meerwaarden (33%) of als meerwaarden op een aanmerkelijk belang dat wordt overgedragen naar een koper buiten de EER (16,5%). Dit doet zich evenzeer voor wanneer de inkomsten kwalificeren als speculatief of als abnormaal beheer van het privévermogen (33% + gemeentebelastingen).